geit

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. evenhoevigen, veeteelt (evenhoevigen) (veeteelt) bepaald soort zoogdier
    Zij hebben een geit geadopteerd.
    Hij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden.
  2. scheldwoord, persoon (scheldwoord), (persoon) scheldwoord voor een vrouw
    Wat is dat een stomme geit, zeg!
  3. persoon (persoon) benaming voor een grappig, eigenaardig persoon
    Hij is toch zo'n geit, je blijft lachen met hem.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands: "geit" / "gheet" van Oudnederlands: "get", in de betekenis van ‘herkauwer’ aangetroffen vanaf 701; gaat via : *gaitaz terug op de e wortel *gʰaido-, cognaat met : "𐌲𐌰𐌹𐍄𐍃" (gaits), : "Geiß", : "geit", : → : goat; vergelijk ook Latijn: "haedus" "geitenlam", : "ձի" (ji) "paard", "हय" (haya) "paard", : "žaĩsti" "spelen" en : "заяц" (zájats) "haas"

Vertalingen

Engelsgoat
Franschèvre
DuitsZiege, Geiß
Spaanscabra
Italiaanscapra
Portugeescabra
Russischкоза, козёл
Chinees
Japansやぎ
Koreaans염소
Arabischcrapa
Turkskeçi
Poolskoza
Zweedsget
Deensged