gejongleer

onzijdig (het)/ɣəjɔŋˈler/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voorwerpen gelijktijdig in de lucht houden door ze behendig beurtelings op te gooien
    Het gejongleer met brandende fakkels leek haar gevaarlijk
  2. figuurlijk (figuurlijk) door snel opeenvolgende veranderingen onoverzichtelijk gemaakte werkwijze
    Door maandenlang gejongleer met rapportages kon hij zijn opdrachtgever bedriegen.

Etymologie

* van jongleren