geloven

/ɣəˈlovə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) overtuigd zijn dat iets waar is
    Hij geloofde dat de aarde door vliegende schotels bezocht werd.
    Hij vertelde me dat hij ooit vijf dagen volledig afgezonderd in de Australische outback was gedropt met niet meer dan een stuk zeil, wat eten en drinken en een bijbel. Het was een bewustwordings-survival-oefening van de kerk van zijn ouders. Het had veel indruk op hem gemaakt. Hij was in die vijf dagen niet gek geworden en hij had de bijbel twee keer gelezen maar geloofde nog steeds niet in God.
    Ik weet meer over het verleden van de prinses dan welke sterveling ook, en het ware verhaal is minder sprookjesachtig dan de troubadours ons willen doen geloven.
  2. ov (ov) iemand ~: zich door iemand laten overtuigen
    Hij geloofde de oplichter en deze wist hem veel geld af te troggelen.

Etymologie

*afgeleid van loven

Uitdrukkingen

  • Eraan moeten gelovenIets tegen wil en dank moeten ondergaan
  • Er geen spaan (bal, snars, etc.) van gelovenErgens niets van geloven
  • Iemand geloven bij ja en neenIemand onvoorwaardelijk geloven
  • Iemand op zijn blauwe ogen gelovenIemand onvoorwaardelijk geloven
  • Iemand op zijn woord gelovenIemand onvoorwaardelijk geloven
  • Zijn ogen/oren niet gelovenIets zien of horen dat zo absurd is dat men twijfelt aan de eigen zintuiglijke waarneming
  • De ganzen geloven niet dat de kiekens hooi etenZelfs domme mensen laten zich zomaar niet alles wijsmaken
  • Die geloven, haasten [zich] niet.Wie denkt dat iets toch wel een goed einde zal nemen, wacht rustig het verloop ervan af

Vertalingen

Engelsbelieve, credit
Franscroire
Duitsglauben
Spaanscreer
Italiaanscredere
Portugeesacreditar
Russischверить
Chinees相信
Japans信じる
Koreaans생각하다
Arabischيعتقد
Poolswierzyć
Zweedstro
Deenstro