gelovige
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣəˈlovəɣə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die een bepaald geloof aanhangtDe gelovigen stonden voor de kerk te wachten op de dienst.De gelovigen stonden te wachten op de handlezer.
Etymologie
*Afleiding van gelovig .
Vertalingen
Engelsbeliever
Franscroyant, croyante
DuitsGläubige, Gläubiger
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek