geneeskracht

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣəˈneskrɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vermogen om ziekten te genezen
    Maar als ze die geneeskracht nu eens niet bezaten? besloot hij, zijn attisch zout uitstrooiend.
    De aanbieders beweren dat mensen met dat middel kunnen voorkomen dat ze de Mexicaanse griep oplopen. De VWA zegt dat het een levensmiddel is en „daar mag je geen geneeskracht aan toe schrijven”. Colloïdaal zilver is water met erg kleine zilverdeeltjes en wordt soms gebruikt als voedingssupplement.

Vertalingen

Engelscurative power, curative quality, healing power