genezen
/ɣəˈnezə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga), (medisch) gezond worden, herstellen van ziekte of verwondingHet was een wonder dat zij van deze dodelijke ziekte genazen.
- (erga), (medisch) (van een ziekte zelf) weer overgaan, weer voorbijgaanEen verkoudheid geneest meestal vanzelf.
- (ov), (medisch) iemand gezond makenHij werd door een beroemd arts behandeld en genezen.Hij zegt uit naam van Jezus allerlei kwalen te kunnen genezen en zelfs blinden weer te kunnen laten zien.De tweede werd geboren in de zesde eeuw. Eigenlijk was hij een zeer eenvoudige monnik, die later abt werd van het klooster in Myra. Een bijzonder vrome man, die door zijn gebed de mensen kon genezen. Hij overleed op 10 december van het jaar 564.
- (ov), (medisch) (een ziekte) helenKanker valt niet altijd te genezen.
- (figuurlijk) niet meer geloven in een verkeerde opvattingVroeger zou ik hebben opgezocht wie hij was - maar na vijf jaar Londen was ik genezen van mijn belangstelling voor oude victoriaanse mannen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘beter (doen) worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200
Uitdrukkingen
- Voorkomen is beter dan genezen. — door voorzichtig te zijn kun je problemen en ongelukken voorkomen
Vertalingen
Engelscure
Duitsgenesen, heilen
Spaansconvalecer, curar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek