genezen

/ɣəˈnezə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga, medisch (erga), (medisch) gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
    Het was een wonder dat zij van deze dodelijke ziekte genazen.
  2. erga, medisch (erga), (medisch) (van een ziekte zelf) weer overgaan, weer voorbijgaan
    Een verkoudheid geneest meestal vanzelf.
  3. ov, medisch (ov), (medisch) iemand gezond maken
    Hij werd door een beroemd arts behandeld en genezen.
    Hij zegt uit naam van Jezus allerlei kwalen te kunnen genezen en zelfs blinden weer te kunnen laten zien.
    De tweede werd geboren in de zesde eeuw. Eigenlijk was hij een zeer eenvoudige monnik, die later abt werd van het klooster in Myra. Een bijzonder vrome man, die door zijn gebed de mensen kon genezen. Hij overleed op 10 december van het jaar 564.
  4. ov, medisch (ov), (medisch) (een ziekte) helen
    Kanker valt niet altijd te genezen.
  5. figuurlijk (figuurlijk) niet meer geloven in een verkeerde opvatting
    Vroeger zou ik hebben opgezocht wie hij was - maar na vijf jaar Londen was ik genezen van mijn belangstelling voor oude victoriaanse mannen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘beter (doen) worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200

Uitdrukkingen

  • Voorkomen is beter dan genezen.door voorzichtig te zijn kun je problemen en ongelukken voorkomen

Vertalingen

Engelscure
Duitsgenesen, heilen
Spaansconvalecer, curar