geniepigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een gemene, stiekeme handeling
    In het dagelijks leven moeten we ons altijd netjes gedragen, dus gelukkig zijn er spelletjes die draaien om list en bedrog. Als je die speelt, wees dan niet boos als je wordt bedrogen; het hoort erbij! Respecteer de slimme geniepigheid van de ander.
    Cruijff zou zeggen: ik heb Feyenoord de weg naar Europese glorie gewezen. Dat gold ook voor Ajax en dat geldt in feite nog steeds voor 010 en 020 en 040: de weg terug naar de top is niet alleen geplaveid met klasse; helaas ook met elleboogjes en geniepigheidjes.

Etymologie

* afleiding van geniepig