gepreek

onzijdig (het)/ ɣəˈprek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) aanhoudend iemand of een groep van mensen vermanend toespreken; aanhoudend mensen de les lezen
    En ook het gepreek, waar zijn vader zo beroemd om was, is hem niet vreemd: zo houdt hij een tirade tegen de Nigeriaanse regering, gevolgd door een liefdesverklaring aan marihuana ('plant the seed and let it grow').Het Parool ERIC BORSJE 7 JULI 2012 [https://www.parool.nl/kunst-en-media/seun-kuti-nu-al-een-van-de-hoogtepunten-van-nsj~a3283437/ Seun Kuti nu al één van de hoogtepunten van NSJ ]
    Diezelfde politici zijn kennelijk vergeten, dat er veel essentiële overheids- en zorgtaken zijn overgeheveld naar de gemeenten. En, nu komt de beroemde aap uit de mouw: de goed opgeleide Nederlander heeft geen gepreek meer nodig van deze Haagse regenten.de Telegraaf 14 mrt. 2018 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1787712/waar-bemoeien-haagse-kopstukken-zich-mee ’Waar bemoeien Haagse kopstukken zich mee?’ ]

Etymologie

* van preken

Vertalingen

Engelssermonizing
Fransprêchi-prêcha