gepuf

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het voortdurend luidruchtig, stotend uitademen als teken van vermoeidheid, hitte of ander ongemak
    "Alsjeblieft geen hitte. Doe mij maar temperaturen rond de achttien graden. De natuur blijft fris en groen, je blijft energiek, slaapt goed, lekker werken én vooral: geen gepuf en geklaag"de Telegraaf 26 jun. 2015
    Ons gesprek en gepuf wordt overstemd door het geratel van backgammondobbelsteentjes. Op de terugweg naar de haven zien we Sultanahmet voor ons opdoemen aan de overkant van de Bosporus.de Telegraaf KARIN RUS 29 sep. 2014
    Het maakte des te ontvankelijker voor sublieme passages uit Bachs pen. Neem alleen al het moment van de geboorte. De cantate opent niet met het gepuf en gekrijs van een kraambed. Welnee, na een pijnloze bevalling glijdt de Heiland soepel in het stro, begeleid door neuriënde violen en een dwarsfluit die stilletjes juicht.Volkskrant Guido van Oorschot 14 december 2015

Etymologie

* van puffen