gerant

mannelijk (de)/ʃeˈrɑ̃/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, bedrijfskunde (beroep), (bedrijfskunde) bedrijfsleider, exploitant, filiaalhouder, zaakvoerder, zaakwaarnemer, zetbaas
    De gerant van de onderneming.
  2. beroep, horeca (beroep), (horeca) horecabedrijfsleider, gastheer, uitbater
    Een kennis vroeg of ik samen met haar ouders wilde lunchen. De afspraak was op Eerste Paasdag in een bekend New Yorks restaurant. 'Heb je honger?', vroeg de kennis. 'We krijgen namelijk negen gangen.' Heren dienden hier een colbertje te dragen, dat was ik vergeten. De gerant hing iets om mijn schouders. Ik voelde me de boerse schoonzoon.Volkskrant Arnon Grunberg (20 april 2017)
  3. beroep, horeca (beroep), (horeca) ober, kelner
    Dat wreekt zich vooral bij de kogelbiefstuk met gekonfijte wangen. Bovendien lijkt er bij de bereiding iets niet helemaal goed gegaan te zijn: het vlees is taai. We zeggen er iets over tegen de zeer enthousiaste gerant die het zal doorgeven aan de keuken, maar we horen er nooit meer iets over. Mijn zeebaars is stevig gebakken, op het droge af. De hele fanfare met trompet de la mort en al voegt weinig toe. NRC Frank van Dijl (26 januari 2017)

Etymologie

* Van het Franse participium "gérant", waarbij de spelling licht is aangepast . In de betekenis van ‘zaakleider’ voor het eerst aangetroffen in 1847

Vertalingen

Engelsmanager
Fransgérant