geschiedenis
vrouwelijk (de)/ɣəˈsxidəˌnɪs/
Wat is de betekenis van geschiedenis?
geschiedenis betekent: een verhaal dat het geheel gebeurtenissen rond een bepaald persoon of entiteit beschrijft
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een verhaal dat het geheel gebeurtenissen rond een bepaald persoon of entiteit beschrijft
- het geheel van gebeurtenissen van het verleden
- (wetenschap) de wetenschap die de gebeurtenissen van het verleden beschrijft, geschiedkunde
Voorbeelden van "geschiedenis" in een zin
- De geschiedenis van de zondvloed is niet alleen uit de Bijbel bekend.
- Nemo besloot, toen hij voor de troon van Koning Palet was gaan zitten en het kistje met de letters voor zich op de grond had gezet, de Koning zijn geschiedenis te vertellen. {{Aut|Herzen, Frank
- Zo was de eenvoudige monnik uit Myra, die in de vierde eeuw plotseling in de geschiedenis kwam als de weldoener van alle mensen - en er korte tijd later weer uit verdween - nu in oost en west bekend.
- Hier was geen interior designer aan het werk geweest met een efficiënt, anoniem ontwerp, maar had een overdaad aan geschiedenis een wanhopig zuchtende overdaad aan weelderige sporen achtergelaten.
- Hij studeert al enige tijd geschiedenis.
Etymologie
* van geschieden
Vertalingen
Engelshistory
Franshistoire
DuitsGeschichte
Spaanshistoria
Italiaansstoria
Portugeeshistória
RussischИстория
Chinees历史
Japans歴史, れきし, rekishi
Koreaans역사
Arabischتاريخ
Turkstarih
Poolshistoria
Zweedshistoria
Deenshistorie
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek