geschiedenis

vrouwelijk (de)/ɣəˈsxidəˌnɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een verhaal dat het geheel gebeurtenissen rond een bepaald persoon of entiteit beschrijft
    De geschiedenis van de zondvloed is niet alleen uit de Bijbel bekend.
    Nemo besloot, toen hij voor de troon van Koning Palet was gaan zitten en het kistje met de letters voor zich op de grond had gezet, de Koning zijn geschiedenis te vertellen. {{Aut|Herzen, Frank
  2. het geheel van gebeurtenissen van het verleden
    Zo was de eenvoudige monnik uit Myra, die in de vierde eeuw plotseling in de geschiedenis kwam als de weldoener van alle mensen - en er korte tijd later weer uit verdween - nu in oost en west bekend.
    Hier was geen interior designer aan het werk geweest met een efficiënt, anoniem ontwerp, maar had een overdaad aan geschiedenis een wanhopig zuchtende overdaad aan weelderige sporen achtergelaten.
  3. wetenschap (wetenschap) de wetenschap die de gebeurtenissen van het verleden beschrijft, geschiedkunde
    Hij studeert al enige tijd geschiedenis.

Etymologie

* van geschieden

Vertalingen

Engelshistory
Franshistoire
DuitsGeschichte
Spaanshistoria
Italiaansstoria
Portugeeshistória
RussischИстория
Chinees历史
Japans歴史, れきし, rekishi
Koreaans역사
Arabischتاريخ
Turkstarih
Poolshistoria
Zweedshistoria
Deenshistorie