gesel
mannelijk (de)/ˈɣesəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaatDe uitgeputte dwangarbeider kreeg er van langs met een gesel.De clip begint dreigend met een witte slavenhouder die met een gesel in de hand op een vastgebonden Typhoon afstapt.
- (figuurlijk) oorzaak van toegebracht leedDe snelle spits was de gesel van de potige verdedigers.Dick Advocaat is opgestapt als bondscoach van het Nederlands voetbalelftal. Verbitterd door de gesel der kritiek.
Etymologie
*van Middelnederlands "gesele" / "ghesele", in de betekenis van ‘strafwerktuig’ aangetroffen vanaf 1240
Uitdrukkingen
- gesel Gods
Vertalingen
Engelsscourge
Fransfouet
DuitsGeißel
Spaansazote, flagelo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek