geslacht

onzijdig (het)/ɣəˈslɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. biologie (biologie) sekse, het man of vrouw zijn
  2. biologie (biologie) de geslachtsorganen
  3. plantkunde, dierkunde (plantkunde), (dierkunde) "genus" [2], taxon, samengesteld uit een of meer soorten; geslachten worden gegroepeerd in families
  4. grammatica (grammatica) grammaticaal geslacht, "genus" [1]
    Wat is het geslacht van dit zelfstandig naamwoord?
  5. familie (familie) de afstammelingen van één persoon
    Het geslacht De Pauw.
    Dan kan hij er staan en zeggen dat hij zich in deze moeilijke tijden et cetera et cetera toch heeft opgeofferd uit liefde voor zowel zijn dochter als de tradities van zijn geslacht.
    Maar Napoleon beloonde de in leven gebleven Letang door hem de oude naam en titels van het geslacht terug te geven, maar niet de bezittingen die tijdens de revolutie geconfisqueerd waren door het volk.

Etymologie

* In de betekenis van ‘familie’ voor het eerst aangetroffen in 1285

Vertalingen

Engelsgenitals, genus, (grammatical) gender
Fransorgane génital, genre, genre (grammatical)
DuitsGeschlechtorgan, Gattung, Genus
Spaanssexo, especie, género (gramatical)
Italiaansgenere
Portugeesgênero (gramatical)
Russischpод
Chinees
Japans
Koreaans
Arabischجنس اسم
Poolsrodzaj (gramatyczny)
Zweedskön, släkte, genus
Deensgrammatisk køn