gesp

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣɛsp/

Wat is de betekenis van gesp?

gesp betekent: beugel met tong of pin om twee uiteindes van één of twee riemen of linten aan elkaar te fixeren

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beugel met tong of pin om twee uiteindes van één of twee riemen of linten aan elkaar te fixeren

Voorbeelden van "gesp" in een zin

  • Sinterklaas maakte de gesp van zijn mooie rode mantel los en legde die voorzichtig om de schouders van de heks.

Betekenis en uitleg van gesp

Een gesp is een voorwerp dat wordt gebruikt om twee delen van een riem of band aan elkaar te bevestigen. Het kan ook dienen als een decoratief element op kleding of uitrusting, waardoor het zowel functioneel als esthetisch is.

Het woord 'gesp' wordt vaak gebruikt in de context van mode en uitrusting, zoals bij riemen, tassen of schoenen. Gespen komen in verschillende vormen en maten voor, van simpele metalen clips tot complexe ontwerpen. Ze kunnen niet alleen praktisch zijn, maar ook een persoonlijk statement maken in je outfit.

Voorbeelden

  • Ze droeg een leren riem met een opvallende gesp die de aandacht trok.
  • Tijdens de hike moest hij zijn rugzak verstellen met de gesp die het compartiment sluit.
  • De oude gesp die ze op de rommelmarkt vond, gaf haar vintage jasje een unieke uitstraling.

Woordoorsprong

Het woord 'gesp' stamt vermoedelijk af van het Oudnederlands 'gespa', wat verwijst naar een bevestigingsmechanisme. Het is verwant aan het Duitse 'Gespann', dat een soortgelijke betekenis heeft.

Veelgestelde vragen over gesp

Wat is de betekenis van gesp?

gesp betekent: beugel met tong of pin om twee uiteindes van één of twee riemen of linten aan elkaar te fixeren

Welk woordgeslacht heeft gesp?

gesp is een mannelijk/vrouwelijk (de).

Hoe gebruik je gesp in een zin?

Voorbeeld: “Sinterklaas maakte de gesp van zijn mooie rode mantel los en legde die voorzichtig om de schouders van de heks.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands gespe, gaspe, met metathese uit Oergermaans *gapsō ~ gipsō; verwant aan Engels gasp ‘snakken, hijgen’, Zweeds gäspa ‘gapen’.

Vertalingen

Engelsbuckle
Fransboucle
DuitsSchnalle
Spaanshebilla
Italiaansfibbia
Portugeesfivela
Russischпряжка
Koreaans솔기, 버클
Poolssprzączka, klamra