gestaar

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het aanhoudend turen naar iets of iemand
    Door zo nonchalant mogelijk in haar ooghoek te wrijven, doorbrak ze het gestaar van daarnet.
    Onze slaap zou lijden onder het gestaar naar beeldschermen met een kortere nachtrust als gevolg.
    Hier kun je als vrouw koffiedrinken in Marokko zonder gestaar en gefluister

Etymologie

* van staren