gestand

/ɣəˈstɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. blijvende trouw
  2. verouderd (verouderd) vaststaand, gehandhaafd
    {{ouds|1805
    {{ouds|1805

Etymologie

*van Middelnederlands "gestande" of "gestant"; op te vatten als afgeleid van verouderde "gestaan"