getjilp

onzijdig (het)/ɣəˈcɪlᵊp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het aanhoudend kwetteren en zingen van kleine vogels
    De twee minuten stilte om acht uur zijn indrukwekkend. Slechts het getjilp van vogels in de omringende bomen is te horen. Na de plechtigheid geef ik leiding aan een stoet die een ronde maakt langs de graven op het ereveld. Reformatorisch Dagblad Bert Monster 04-05-2013 [https://www.rd.nl/meer-rd/cultuur-geschiedenis/militaire-ereveld-grebbeberg-gereed-voor-herdenking-1.307481 Militaire Ereveld Grebbeberg gereed voor herdenking]
    Samen bewegen ze om de kraag van riet heen, gedreven door het getjilp van de zeldzame vogel, die zich ergens onder bij de stengels van het riet bevindt. Tubantia Saminna van den Bulk 20-03-17 [https://www.tubantia.nl/binnenland/op-zoek-naar-de-ferrari-onder-de-vogels~aa610874/ Op zoek naar de ‘Ferrari onder de vogels’]
    Het is stil in de Boekelose dreven. Waar volgende week zaterdag dik 65.000 toeschouwers rondbanjeren, verstoort nu slechts het getjilp van vogels de rust. Tubantia A.Kunst Angelique Kunst 01-10-09 [https://www.tubantia.nl/overig/boekelo-boven-de-spelen-van-londen~a000fca2/ Boekelo boven de Spelen van Londen]

Etymologie

* van tjilpen

Vertalingen

Engelspeeping, twittering, chirping