getrippel

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanhoudend je met snelle, kleine pasjes voortbewegen, zoals kleine diertjes dat doen
    Een muis, dat is getrippel in de nacht, of een bruine flits zodra het licht aangaat. En daarom griezelen wij mensen eerder van deze diertjes dan dat we van ze genieten. En als ze dan ook nog je aardappels oppeuzelen... Reformatorisch Dagblad 01-10-2010 [https://www.rd.nl/meer-rd/groen-duurzaamheid/muis-1.246459 Muis]
    U verstaat het goed: er breken dolkomische dagen aan voor deze Happy singles van VTM. Hilarische misverstanden, bronstig getrippel, onverwachte bezoekers, mannen die nog dommer zijn dan vrouwen, vriendschap die zo onvoorwaardelijk is dat ze draagsters van luipaardprints verzoent met tuinbroekfanaten. De Standaard 12 APRIL 2008 (kdo) [http://www.standaard.be/cnt/371qk1l1 Happy singles (3/20)]
    Opmerkelijk hoe Elsschot beschreef dat de komst van de kleinkinderen meer zin gaf aan het leven. Het had zijn vrouw weer doen stralen en nieuwe energie bij hem opgewekt. ‘Haar sloffen werd opnieuw een getrippel en haar geklaag een hooglied. En ikzelf heb mij opgericht als om tot grote daden over te gaan.’ Zou dat een verklaring kunnen zijn waarom een groot deel van Elsschots oeuvre geschreven is na de geboorte van zijn eerste kleinkind? De Standaard 28 FEBRUARI 2015 OM 03:00 UUR | Geert Bourgeois [http://www.standaard.be/cnt/dmf20150227_01552710 Goede kaas moet rijpen]

Etymologie

* van trippelen

Vertalingen

Engelspatter, tripping