getrompetter

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanhoudend veel lawaai maken met een trompet (en andere blaasinstrumenten)
    Het is zaterdag 27 april 2019. Ik parkeer mijn auto achter de kerk. Uit een ontmoetingsruimte klinken tromgeroffel en getrompetter.
  2. aanhoudend veel lawaai maken met de slurf door olifanten
    Qiyo kwam dinsdagavond om 23.40 uur onder luid getrompetter ter wereld.
  3. het met veel lawaai de neus snuiten
    Hij haalt zijn zakdoek uit zijn broekzak en snuit zijn neus. Dwars door zijn getrompetter heen klinkt er een joehoe', uit de gang.

Etymologie

* van trompetteren

Vertalingen

Engelstrumpeting