geus
mannelijk (de)/ɣøs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) (geschiedenis) elk van de edelen van het Verbond in 1566 en later de vijanden van de regering van koning Philips II in de Nederlanden
- (persoon) (figuurlijk) iemand die zich daadwerkelijk verzet tegen gezag dat zich misdraagt
zelfstandig naamwoord
- gegoten ijzer in de vorm van een langwerpig blok met schuine zijden
Etymologie
*[B] vermoedelijk van gueuse "lingot, gieteling"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek