gevallen

/ɣəˈvɑlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) gebeuren
    Nu geviel het echter dat Maxentius vanwege dringende zaken naar het uiterste eind van zijn rijk moest trekken.
  2. ditr, verouderd (ditr) (verouderd) bevallen
    De poëzie gevalt mij boven alle kunsten.

Etymologie

*[C] "geval" met de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • Niet op zijn mondje gevallen zijnprecies duidelijk maken hoe iemand over iets denkt
  • Van de trap gevallen zijn