gevallen
/ɣəˈvɑlə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) gebeurenNu geviel het echter dat Maxentius vanwege dringende zaken naar het uiterste eind van zijn rijk moest trekken.
- (ditr) (verouderd) bevallenDe poëzie gevalt mij boven alle kunsten.
Etymologie
*[C] "geval" met de uitgang -en
Uitdrukkingen
- Niet op zijn mondje gevallen zijn — precies duidelijk maken hoe iemand over iets denkt
- Van de trap gevallen zijn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek