gewei

onzijdig (het)/ɣəˈwɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
    Het gewei van het hert was afgebroken en lag op de grond.
    Minder dan een halfuur later zat ik aan een versleten bar van de enige kroeg in de wijde omgeving. Het resort was een muffig dorpshuis met wat geweien aan de muur.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘hoorns van herten e.d.’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1592

Vertalingen

Engelsantler
Fransbois
DuitsGeweih
Spaanscornamenta
Russischрога
Poolsporoże
Zweedshorn
Deensgevir