gewoonte

vrouwelijk (de)/ɣəˈwontə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vaste wijze om dingen te doen
    Autorijden wordt heel snel een gewoonte.
    Na het eten had ze een opmerkelijke gewoonte om een Snicker naast haar hoofd te leggen voor als ze in de nacht een vreetkick kreeg vanwege haar joint.
    Het leek misschien een onconventioneel begin van een bestuursvergadering, dat gaf oom Carl Lauritz ook toe en hij grapte dat het natuurlijk geen gewoonte moest worden.

Etymologie

*Afgeleid van gewoon .

Uitdrukkingen

  • De gewoonte is ( of wordt) een tweede natuur

Vertalingen

Engelscustom, habit
Franshabitude
DuitsGewohnheit
Spaanscostumbre
Italiaansabitudine
Portugeeshábito
Koreaans버릇
Turksalışkanlık