gezag
onzijdig (het)/ɣəˈzɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemenHij heeft niet voldoende gezag om dat voorstel aan te nemen.
- aanzien; voldoende kennis hebben om ergens een gefundeerd oordeel over te hebbenHet gezag van een voetbaltrainer is vaak bepalend voor zijn succes.Militaire sabotage van die orde van grootte betekende dat Zweden nu ook bij de oorlog betrokken was, verklaarde Oscar met gezag.
- de overheid; zij die de wettige macht bezitten'We zijn hier op gezag van schout Slabbaert en de hoofdburgemeester in het stadhuis.De Duitsers hadden het gezag overgenomen en de nieuwe regelgeving was te lezen op een publicatiebord bij de kerk."Criminelen ondermijnen gezag in 34 gemeenten" [http://www.nu.nl/binnenland/4046272/criminelen-ondermijnen-gezag-in-34-gemeenten.html www.nu.nl]
Etymologie
* In de betekenis van ‘macht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401
Vertalingen
Engelsauthority, prestige
Spaansautoridad, prestigio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek