gezaghebber
mannelijk (de)/ɣəˈzɑxhɛbər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) persoon die plaatselijk de hoogste bevoegdheid heeft om beslissingen te nemen waaraan anderen moeten gehoorzamenHij werd als gezaghebber over drie eilanden aangesteld.
- persoon met aangeboren talent om ergens beslissingen over te nemen die anderen aanvaardenHij was niet echt een gezaghebber.
Etymologie
*samenstellende afleiding van "gezag" en "hebben" , in de betekenis van ‘regeerder’ voor het eerst aangetroffen in 1646
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek