gezelschap
onzijdig (het)/ɣə'zɛlsxɑp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een groep mensen die iets gemeen hebbenHet hele gezelschap was gezellig op skivakantie.Zelfs als ik om drie uur 's nachts langs de Seine dwaalde, wat steeds meer een gewoonte van mij werd, deed ik dat altijd in gezelschap van tweehonderd anderen. {{Aut|Sandes, David
- iemand ~ houden: bij iemand blijven die anders alleen zou zijnIk kan je niet langer gezelschap houden, ik moet naar m'n werk.Hij is hier omringd door een deel van de harde kern van The Circus, zoals zijn entourage wordt genoemd, vrienden die hij al dertig, veertig jaar kent, soms ex-geliefden die blijven hangen. Ze vormen een onzichtbare kring om Hockney, scharrelen rond in zijn huis, zorgen voor hem, houden hem gezelschap. de Volkskrant John Schoorl25 februari 2019 [https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/81-jarige-kunstenaar-david-hockney-woont-in-los-angeles-met-zijn-entourage-en-komt-de-dag-door-met-heel-veel-sigaretten-maar-zonder-alcohol~b394910a/ 81-jarige kunstenaar David Hockney woont in Los Angeles met zijn entourage en komt de dag door met heel veel sigaretten, maar zonder alcohol]
- aanwezigheid van een persoon, dier of zaakMaar toen dacht ik aan weer een avond in mijn lege flatje, met slechts het gekraak van de radio en mijn stukgelezen boeken als gezelschap, en ineens wilde ik niet alleen zijn.Mijn vermoeden zou zijn dat u zijn gezelschap kunt waarderen. Hij is een eminent geleerde.'Zo was Poulettes snedige journalistenjargon nu eenmaal en je moest niet lichtgeraakt zijn in haar gezelschap.
- een vereniging met een bepaald doelEr bestaat een gezelschap dat zich richt op de studie hiervan.
Etymologie
*Afgeleid van gezel .
Vertalingen
Engelscompany, companionship, society
Spaanscírculo, compañía, corro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek