Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

gezichtkleur

vrouwelijk (de)/ɣəˈzɪxtklør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tint van de huid van iemands gelaat
    Zijn gezichtkleur was bij het paarse af en hij scheen vol te zitten met opgekropte emoties.
    En toch is Paais grootste trots dat die Hollandse juffrouw Bouwman zijn moeder was! Hij dankt er zijn blanke gezichtkleur aan en je zult op de duur pas leren begrijpen hoe belangrijk dat is.