gezwollenheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het opgezet, opgeblazen zijnZo had ze, nu haar eigen luik was afgesloten, het huis proberen binnen te komen, geen rekening houdend met haar diabetische gezwollenheid.
- het al te bombastisch zijnIntiem, fijnzinnig of gezellig; het blijven betekenisloze begrippen in het vocabulaire van het Britse Editors. Ook het zesde album van de synthesizerrockgroep is duister, rauw en bij vlagen overdonderend. Violence is het meest elektronische Editors-album tot nog toe, maar die geleidelijke transformatie past prima bij de permanente gezwollenheid van de groep.
Etymologie
*afleiding van gezwollen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek