gibbon
mannelijk (de)/ˈʏɪbɔn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (primaten) benaming voor zoogdieren uit de familie bestaand uit 17 soorten in vier geslachtenHet is choquerend nieuws: de apen zijn in gevaar. In alle apengeslachten, van gibbon tot gorilla dreigen binnen afzienbare tijd soorten uit te sterven, en de oorzaak ligt bij de soort die genetisch gesproken hun naaste familie is: de mens. Die duwt hen naar de rand van de afgrond door geen maat te houden met landbouw, mijnbouw en jacht in de bewuste leefgebieden. NRC 20 januari 2017
Etymologie
*van "gibbon", in de betekenis van ‘mensaap’ voor het eerst aangetroffen in 1784
Vertalingen
Fransgibbon
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek