gids

mannelijk (de)/ɣɪts/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) persoon die een groep begeleidt en uitleg geeft
    De gids kon ons veel vertellen over de historie van de kerk.
    En zo werd het Sicilië, een achtdaagse groepsreis met een gids.
  2. boekje dat een uitleg geeft
    In de gids kun je lezen over de historie van de kerk.
  3. een tijdschrift dat uitleg geeft
    De gids bevatte veel zonnige afbeeldingen.
  4. iets dat je de weg kan wijzen in het algemeen
    Zie ze als suggesties, adviezen die je op verschillende momenten in je leven kunt raadplegen als een gids voor moeilijke en mooie momenten.
  5. scouting (scouting) meisje dat meedoet aan scouting

Etymologie

*herkomst onzeker; waarschijnlijk van gadžo "niet-zigeuner; boer", de i-klank is mogelijk ontstaan door invloed van "guide", in de betekenis van ‘leidsman’ voor het eerst aangetroffen in 1643

Vertalingen

Engelsguide
DuitsFührer, Reiseführer
Spaansguía
Italiaansguida