gids
mannelijk (de)/ɣɪts/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) persoon die een groep begeleidt en uitleg geeftDe gids kon ons veel vertellen over de historie van de kerk.En zo werd het Sicilië, een achtdaagse groepsreis met een gids.
- boekje dat een uitleg geeftIn de gids kun je lezen over de historie van de kerk.
- een tijdschrift dat uitleg geeftDe gids bevatte veel zonnige afbeeldingen.
- iets dat je de weg kan wijzen in het algemeenZie ze als suggesties, adviezen die je op verschillende momenten in je leven kunt raadplegen als een gids voor moeilijke en mooie momenten.
- (scouting) meisje dat meedoet aan scouting
Etymologie
*herkomst onzeker; waarschijnlijk van gadžo "niet-zigeuner; boer", de i-klank is mogelijk ontstaan door invloed van "guide", in de betekenis van ‘leidsman’ voor het eerst aangetroffen in 1643
Vertalingen
Engelsguide
DuitsFührer, Reiseführer
Spaansguía
Italiaansguida
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek