giebel

mannelijk (de)/ˈɣibəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. straalvinnigen (straalvinnigen) bronskleurige zoetwatervis, , uit de familie van de eigenlijke karpers () die lijkt op de kroeskarper
    In die winkel worden giebels verkocht.
  2. proestend gelach
  3. iemand, meestal een tiener, die de gewoonte heeft om de haverklap in proestend gelach uit te barsten
    De leraar zette uiteindelijk de twee giebels maar op andere plaatsen in de klas, want naast elkaar vormden ze een storend element.

Etymologie

*[2] van "giebelen"

Vertalingen

Engelscrucian carp
Fransgibèle
DuitsGewöhnliche Karausche