gijzelaar
mannelijk (de)/ˈɣɛizəˌlar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgenVoor die gijzelaar werd het gevraagde losgeld betaald.
- (geschiedenis) persoon die aan de tegenpartij wordt uitgeleverd en er met zijn leven voor instaat dat afspraken zullen worden nagekomenDat Tassilo op zijn beurt zijn neef Karel niet helemaal vertrouwde, blijkt uit het feit dat hij niet van plan was zonder garanties te komen. Pas na overdracht van twaalf Karolingische gijzelaars was hij bereid om de rijksdag in Worms bij te wonen.
Etymologie
*van Middelnederlands giselare dat is afgeleid van Middelnederlandse zelfstandige naamwoord gisel , dus niet van het werkwoord gijzelen
Vertalingen
Engelshostage
Fransotage
DuitsGeisel
Spaansrehén
Portugeesrefém
Poolszakładnik
Zweedsgisslan
Deensgidsel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek