gispen

/ˈɣɪspə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, verouderd (ov) (verouderd) iemand met een gisp, een dunne roede of smalle riem slaan
    Hij werd met een roede gegispt.
  2. ov, figuurlijk (ov), (figuurlijk) iets of iemand scherp bekritiseren
  3. inerg, figuurlijk (inerg), (figuurlijk) fel uithalen
    "Dat is de slechtste oplossing die ik ooit heb horen verkondigen" gispte zij.
  4. tweede betekenisomschrijving
    Zin met het gispen in de tweede betekenis erin.
  5. enz.

Etymologie

*Verbalisering van ghispe ("gisp"), mogelijk verwant met gesel. In de betekenis van ‘laken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1626