gitaar

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣi'tar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) een muziekinstrument, gewoonlijk met zes snaren, bespeeld met de vingers of een plectrum
    Tatertot was helemaal op dreef en had inmiddels geregeld dat Necktie met zijn gitaar kon meedoen met de lokale bluegrassband die in de brouwerij aan het spelen was.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1683

Vertalingen

Engelsguitar
Fransguitare
DuitsGitarre
Spaansguitarra
Italiaanschitarra
Chinees六弦琴, 吉他
Japansギター
Zweedsgitarr
Deensguitar