glippen

/ˈɣlɪpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. uitglijden over of langs een oppervlak dat glad is door vocht of een ander smeermiddel
    De modderige bal glipte door de vingers van de doelman.
  2. figuurlijk (figuurlijk) aan de greep ontsnappen
    Hij is met zijn smokkelwaar langs de douane geglipt.

Etymologie

* In de betekenis van ‘uitglijden, ontglijden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588