glippen
/ˈɣlɪpə(n)/
Betekenis
werkwoord
- uitglijden over of langs een oppervlak dat glad is door vocht of een ander smeermiddelDe modderige bal glipte door de vingers van de doelman.
- (figuurlijk) aan de greep ontsnappenHij is met zijn smokkelwaar langs de douane geglipt.
Etymologie
* In de betekenis van ‘uitglijden, ontglijden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek