godslasteraar

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die god beledigd
    Toen Judas die woorden hoorde, kon hij zich niet beheersen en schreeuwde hij boven het rumoer van de menigte uit: 'Jullie hebben niet de moed om die dingen in zijn bijzijn te zeggen; ik zeg dat jullie de godslasteraars zijn.