gokken
/ˈɣɔkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekersHij gokt al jaren op de paardenracen.Er wordt zwaar gegokt op de wandelpier,Riep een Kamergroepje met heel veel getierwant wat kan 't baren, dat men veel appelen, om de waerdye van een stuyver weet te koopen, indien zy verrot zijn; immer zoo schadelijk is 't dat men Gokken om 't geld mind;
Etymologie
* via Bargoens, vernederlandste (waarschijnlijk Amsterdamse) vorm van (zchokken) “spelen” van (tschok) "gelach"; in de betekenis van “spelen om geld” voor het eerst aangetroffen in de 17e eeuw (zie vindplaats hieronder)
Vertalingen
Engelsgamble, wager
Fransparier
Duitszocken
Spaansjugar
Italiaansscommettere
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek