gotspe

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣɔtspə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bijzonder grote brutaliteit [http://www.nrc.nl/nieuws/2012/10/10/koningin-bij-duurzaamste-nederlanders-eerste-plek-directeur-urgenda www.nrc.nl]
    Hij had de gotspe me dat recht in mijn gezicht te zeggen!
  2. bijzonder veel lef
    Je kunt van hem zeggen wat je wil, maar gotspe heeft-ie wel.

Etymologie

*via het Bargoens, van het West-Jiddische חוצפּה khutspe dat weer van het Hebreeuws חצפה ḥuṣpā(h) stamt; in de betekenis van ‘brutaliteit’ voor het eerst aangetroffen in 1937

Vertalingen

Engelschutzpa, chutzpah
Franschutzpa
DuitsChuzpe