gouden eeuw
vrouwelijk (de)/ˈɣɑude(n) ew/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (figuurlijk) langere periode waarin iets op zijn best is, tijdperk waarin de de waardering het grootst isHet is goed dat we de slavernij boekstaven en bespreken. En het is goed dat de koloniale tijd meer aandacht krijgt in het onderwijs. Maar om met terugwerkende kracht deze eeuwen te meten aan de maatstaven van nu loopt al snel uit op de ontkenning van de vooruitgang waar zowel Granada als Amsterdam symbolen van zijn. Het moet mogelijk zijn om waardering en kritiek bijeen te brengen – ook als we het over de gouden eeuw van een beschaving hebben.Nu de twee landen met het grootste energieverbruik aardgas omarmen, trekt het IEA de conclusie: de „gouden eeuw voor gas”, daar zit de wereld middenin.De ananas werd een symbool van de Nieuwe Wereld, die in verhalen en prenten de hemel in werd geprezen. Nederland speelde daarbij een belangrijke rol, want de gouden eeuw voor de ananas viel samen met de Gouden Eeuw in Nederland.
Etymologie
*(coll), een leenvertaling van Latijn "aurea aetas" "gouden tijdperk" zoals in boek 1 (r. 89-112) van zijn het tijdperk dat Saturnus oppergod was noemt; deze beschrijving gaat weer terug op "χρύσεον γένος" (chrúseon génos) "gouden geslacht" in het werk van
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek