graad
mannelijk (de)/ɣrat/
Wat is de betekenis van graad?
graad betekent: (wiskunde) eenheid om hoeken te meten (1/360 deel van de cirkelomtrek), onderverdeeld in minuten en seconden, booggraad
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (wiskunde) eenheid om hoeken te meten (1/360 deel van de cirkelomtrek), onderverdeeld in minuten en seconden, booggraad
- elk van de gelijke delen waarin sommige schaalverdelingen verdeeld zijn, vooral die van thermometers
- (onderwijs) groepering van 2 opeenvolgende jaren in het lager en secundair onderwijs in België
- titel die na afgelegd examen, verdedigde stellingen enz. aan een studerende wordt toegekend b.v. meestergraad
- (wiskunde) macht
Voorbeelden van "graad" in een zin
- Een ijzig stuk sneeuw dat onder een helling van 45 graden naar beneden liep. Langs een smal paadje moesten we voetje voor voetje proberen de 20 meter te overbruggen. Niet naar beneden kijken, want anders val je misschien 800 meter naar beneden.
- deze vergelijking is van de tweede graad
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘eenheid van schaalverdeling, rang’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelsdegree
Fransdegré
DuitsGrad
Spaansgrado sexagesimal, rango, título
Turksderece
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek