gras
onzijdig (het)/ɣrɑs/
Wat is de betekenis van gras?
gras betekent: (bloemplanten) benaming voor planten uit de familie plantenfamilie omvattende gras (zie betekenis 2), graan, rijst, bamboe
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor planten uit de familie plantenfamilie omvattende gras (zie betekenis 2), graan, rijst, bamboe
- (plantkunde) benaming voor planten uit de familie die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
Voorbeelden van "gras" in een zin
- Je ziet ook hoe het leven langzaam uit de Route is weggetrokken. De romantiek van het verval is overvloedig aanwezig. Verlaten, met gras en onkruid overwoekerde tankstations.
- Een doodgewone veertiger met een eigen bedrijf, twintig jaar getrouwd, vader van drie, die elke zondag het gras maait.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gewas op weiden e.d.’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1125.
Uitdrukkingen
- Een adder(tje) onder het gras — Een gemene bedoeling die ergens achter schuilt, een verborgen valstrik/dubbele bodem van iets
- Er geen gras over laten groeien — Direct iets doen
- Het gras in de knieën hebben — Lijden aan voorjaarsmoeheid
- Iemand het gras voor de voeten wegmaaien — Alles al zeggen wat een ander eigenlijk zelf had willen zeggen
- Te hooi en te gras komen — Zo nu en dan komen
- Het gras aan de andere kant van de heuvel is altijd groener/Het gras bij de buren is altijd groener — Men is gauw geneigd te denken dat anderen geen of minder problemen hebben
Vertalingen
Engelsgrass, grass
Fransherbe, gazon
DuitsGras, Gras
Spaanshierba, césped, grama
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek