graszaad

onzijdig (het)/ˈɣrɑsat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. korrel met een kiem waaruit een plantje uit de grassenfamilie () groeit
    Een graszaad (…) bestaat voor 't grootste gedeelte uit een melig, soms min of meer hoornig kiemwit, terwijl de kiem zelf een klein gedeelte in een hoek van het zaad inneemt.
  2. stofnaam van zaaigoed voor weiden en grasvelden
    Akkerbouwers in de IJsselmeerpolders begonnen zo door middel van groenbemesters de bodemvruchtbaarheid en -structuur te verbeteren. In de praktijk gebeurde dit gewoonlijk door graszaad in te zaaien als ‘ondervrucht’ van de tarwe, dat na de oogst van het graangewas snel tot ontwikkeling kwam. Vervolgens groeide dit gras door tot in oktober of zelfs tot in november, wanneer het werd ondergeploegd.