graveel

onzijdig (het)/ɣraˈvel/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fijn zand of gruis
  2. aandoening met nier- of galstenen
    Het lijstje met kwalen waaraan Johannes Calvijn leed deed niet onder voor dat van Luther. Hij leed veel aan hoofdpijn; voorts kampte hij met pleuritis, een endeldarmaandoening van ernstige aard, de derdedaagse- en vierdedaagse koorts, graveel met niersteenkoliek en jicht.

Etymologie

* uit het Oudfrans