Grazen
/'χrazə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doenDe koeien graasden vredig in de wei.Een dag later, lopend door een brede kloof, zag ik een rookpluim in de verte omhoog kringelen. Toen ik aankwam bij het vuurtje zag ik tot mijn verbazing twee paarden aan een lang touw grazen, met verder niemand in de buurt.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gras eten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401
Uitdrukkingen
- Iemand te grazen nemen — iemand een gemene streek leveren, op gemene manier er tussen nemen
Vertalingen
Engelsgraze
Franspaître
Duitsgrasen, weiden, äsen
Spaansapacentar, pastar, campear
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek