green

mannelijk (de)/ɣren/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde (plantkunde) grove den,
  2. plantkunde, verouderd (plantkunde) (verouderd) dennenboom, naaldboom
zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) (golf) speelveld met kort gemaaid gras rondom een hole
  2. sport, verouderd (sport), (verouderd) (golf) aanduiding van een complete golfbaan met meerdere holes
werkwoord
  1. verouderd (verouderd) enkelvoud verleden tijd van grijnen

Etymologie

*[golfveld]: van "green"