grendel
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een voorwerp, meest in de vorm van een metalen staaf, die de opening van een deur verhindertDeze stevige grendel maakt vrijwel onmogelijk de bankkluis te kraken.
- deel van een geweer waarmee men het geweer sluit zodat de patronen afgesloten zitten en het geweer klaar is om gebruikt te wordenOpa pakte er meteen een, kreeg een doosje met munitie van de winkelbediende, keerde het doosje om en sloeg er hard mee op de toonbank zodat het openbarstte, greep een vuistvol patronen, drukte ze bliksemsnel in het geweer en duwde de grendel dicht.
Etymologie
* In de betekenis van ‘schuifbout voor deuren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Uitdrukkingen
- achter slot en grendel
- goed en stevig opgesloten
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek