grens

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣrɛns/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
    . De grens tussen twee stroomgebieden.
  2. aardrijkskunde, politiek (aardrijkskunde) (politiek) de raaklijn tussen twee landen
    Als we geluk hebben kunnen we morgen de Poolse grens bereiken.
    Het was nog donker toen Jack arriveerde om mij met zijn auto naar de Mexicaanse grens brengen.
    De anderhalve dag in volkomen isolement die hier genoemd werd, was voor ons drieënhalve dag geworden: De eilanden Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee, waartussen de Zeeuws-Zuid- Hollandse grens loopt, werden eigenlijk pas in de loop van maandag ontdekt als de twee gebieden, die het hevigst in nood verkeerden.
  3. figuurlijk (figuurlijk) uiterste mate (bijv. waarin men zich iets kan veroorloven)
    Met deze acties is wat mij betreft de grens bereikt.
    Zijn er dan toch grenzen aan het sadisme? Wie het haalt tot de laatste bocht naar links, weet het antwoord. Daar ligt weliswaar weer wat asfalt, maar het is een onvervalste muur: 24 procent. Het is hier dat la belle fille op haar fiets om hulp van boven smeekt.
    Ik heb een grens overschreden door jou, als mijn ondergeschikte, over mijn ziekte te vertellen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘scheidingslijn’ voor het eerst aangetroffen in 1573

Uitdrukkingen

  • De grens is bereiktDe maat is vol, het kan niet nog langer zo doorgaan
  • Een grens stellen/trekkenBepalen tot hoever iets mag gaan voordat er wordt ingegrepen

Vertalingen

Engelsborder, frontier, limit
Fransfrontière, limite, bord
DuitsGrenze, Grenze, Gemerke
Spaansfrontera, límite, frontera
Italiaansfrontiera, confine
Portugeesfronteiras, fronteira
Russischграница
Chinees国境
Japans国境
Koreaans국경
Arabischحدود
Poolsbrzeg, granica
Zweedsgräns
Deensgrænse