grens
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣrɛns/
Wat is de betekenis van grens?
grens betekent: een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
- (aardrijkskunde) (politiek) de raaklijn tussen twee landen
- (figuurlijk) uiterste mate (bijv. waarin men zich iets kan veroorloven)
Voorbeelden van "grens" in een zin
- . De grens tussen twee stroomgebieden.
- Als we geluk hebben kunnen we morgen de Poolse grens bereiken.
- Het was nog donker toen Jack arriveerde om mij met zijn auto naar de Mexicaanse grens brengen.
- De anderhalve dag in volkomen isolement die hier genoemd werd, was voor ons drieënhalve dag geworden: De eilanden Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee, waartussen de Zeeuws-Zuid- Hollandse grens loopt, werden eigenlijk pas in de loop van maandag ontdekt als de twee gebieden, die het hevigst in nood verkeerden.
- Met deze acties is wat mij betreft de grens bereikt.
Etymologie
* In de betekenis van ‘scheidingslijn’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Uitdrukkingen
- De grens is bereikt — De maat is vol, het kan niet nog langer zo doorgaan
- Een grens stellen/trekken — Bepalen tot hoever iets mag gaan voordat er wordt ingegrepen
Vertalingen
Engelsborder, frontier, limit
Fransfrontière, limite, bord
DuitsGrenze, Grenze, Gemerke
Spaansfrontera, límite, frontera
Italiaansfrontiera, confine
Portugeesfronteiras, fronteira
Russischграница
Chinees国境
Japans国境
Koreaans국경
Arabischحدود
Poolsbrzeg, granica
Zweedsgräns
Deensgrænse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek