grensvesting

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een burcht, kasteel, versterking of vesting aan de grens van een gebied of land
    Lubonski's kasteel in Gorka stond op de uiterste noordgrens van de Oostenrijkse territoria, zodat zijn bezittingen in Bukowo een soort grensvesting vormden en hij stelde met genoegen vast dat voor Zamosc hetzelfde gold: 'Wij bezetten de sleutelposities voor de noordelijke veiligheid.
    ' `Maar in een grensvesting als deze hoor ik tromgeroffel.