grenzen
/ˈɡrɛnzə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (absol) ~ aan als aansluitende buur hebbenLuxemburg grenst aan België, Frankrijk en Duitsland.
Etymologie
*"grens" met de uitgang -en, waarbij de slotmedeklinker weer stemhebbend wordt
Vertalingen
Engelsborder
Poolsgranicznyć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek