grijns

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vertrekking van het gelaat die vooral leedvermaak uitdrukt, naast vaak een zekere boosaardigheid of spot/sarcasme
    "Ja, dat zal wel!" zei hij met een grijns.
    Hij zag er bevredigd, weldoorvoed uit, maar zijn grijns was een beetje geforceerd.
    Na het filteren van een paar liter water deed ik mijn rugzak weer om en liep met een grote grijns op mijn gezicht door; wat een figuur.

Vertalingen

Engelsgrin, smirk